Drie jaar geleden startte Jorick van Veenendaal uit Beneden-Leeuwen het programma De Verschilmaker vanuit een schoolopdracht. Het vrijwilligerstekort bij zijn eigen voetbalclub SV Leones vormde de aanleiding. Tijdens zijn onderzoek ontdekte hij dat vrijwillige inzet en clubcultuur sterk met elkaar verbonden zijn. “Leden die sporten bij een vereniging waar mensen respectvol met elkaar omgaan, zijn eerder bereid zich ook voor de club in te zetten”, zegt hij.
Vrijwilligersbeleid en gedrag hangen samen
Volgens Van Veenendaal kijken veel verenigingen nog te vaak naar vrijwilligerswerk als een losstaand probleem. Terwijl gedrag, sfeer en betrokkenheid minstens zo belangrijk zijn. “Als leden alleen komen sporten en daarna direct vertrekken, wordt het lastig om mensen aan je club te binden. Mensen zetten zich eerder in voor een vereniging waar ze zich thuis voelen.”
Daarom begeleidt De Verschilmaker clubs niet alleen bij het invullen van taken, maar ook bij het versterken van normen, waarden en onderlinge betrokkenheid. “De fasen zijn in grote lijnen generiek, maar het is geen one size fits all”, laat Van Veenendaal weten. “De verenigingscultuur en identiteit van elke vereniging staat centraal in het proces.”
Traject van één seizoen
Een begeleidingstraject duurt meestal één seizoen en bestaat uit vijf fases.
- Analyse en plan van aanpak
Eerst gaat De Verschilmaker in gesprek met het bestuur. Waar zitten de knelpunten? Is er vooral een tekort aan vrijwilligers, spelen er gedragsproblemen op het veld of langs de lijn, of allebei? Op basis daarvan wordt een plan opgesteld. - Werkgroepen vanuit de club zelf
Daarna wordt een stuurgroep gevormd en twee werkgroepen met ieder een eigen focus: sportiviteit en vrijwilligersbeleid. Niet het bestuur, maar juist leden en ouders worden actief betrokken. “We proberen minder actieve leden en ouders te motiveren om een bijdrage te leveren”, zegt Van Veenendaal. “Door bottom-up te werken, ontstaat draagvlak voor veranderingen.” Samen bepalen zij welke normen en waarden passen bij de vereniging. Door leden regelmatig mee te nemen in de voortgang groeit het bewustzijn binnen de club. - Vrijwilligersscan
Vervolgens wordt in kaart gebracht hoeveel uren vrijwilligerswerk nodig zijn en waar tekorten ontstaan. Denk aan bardiensten, evenementen, scheidsrechters, onderhoud of commissieondersteuning. - Invoering nieuwe aanpak
Vaak start de nieuwe werkwijze aan het begin van een seizoen. Dan worden taken verdeeld, nieuwe afspraken ingevoerd en gedragscodes zichtbaar gemaakt. - Borging
De laatste fase draait om continuïteit. “Veel goede plannen verdwijnen zodra externe begeleiding stopt”, zegt Van Veenendaal. “Daarom besteden we veel aandacht aan borging.”
Afgebakende taken werken beter
Een belangrijke les uit de praktijk: mensen willen best helpen, maar wel op een manier die past bij hun leven. “In het begin dacht ik dat mensen geen vrijwilligerswerk meer wilden doen,” zegt Van Veenendaal. “Dat klopt niet helemaal. De vorm is veranderd. Mensen willen liever een duidelijke taak met een begin en eind.” Daarom helpt De Verschilmaker verenigingen om taken kleiner en overzichtelijker te maken. Niet: wie wil in de evenementencommissie? Maar: wie helpt twee uur bij de opbouw van het jeugdkamp? Dat verlaagt de drempel aanzienlijk.
Jong geleerd is later normaal
Ook jeugdleden worden bewust meegenomen in de aanpak. Zo krijgen teams vanaf ongeveer 15 jaar een clubtaak, bijvoorbeeld helpen bij een evenement of ondersteunen tijdens een toernooi. “Dan leren jongeren al vroeg dat een vereniging draait op inzet van leden”, zegt Van Veenendaal. Volgens hem vergeten veel leden wat een vereniging eigenlijk is. “Mensen betalen contributie en verwachten dat alles geregeld wordt. Maar een vereniging bestaat juist doordat leden samen verantwoordelijkheid nemen.”
Sportiviteit concreet aanpakken
Naast vrijwilligersparticipatie richt De Verschilmaker zich sterk op gedrag op en rond het veld. “Ik schrik soms van de negativiteit richting scheidsrechters,” zegt Van Veenendaal. “Dat tast de sfeer én het vrijwilligersklimaat aan.” Daarom wordt per doelgroep gekeken wat nodig is: ouders, trainers, spelers en supporters vragen ieder een andere aanpak.
Een voorbeeld is het maandelijkse reflectiemoment. Trainers bespreken met hun team hoe wedstrijden, trainingen en het onderlinge gedrag zijn verlopen: hoe gingen spelers om met elkaar, met de scheidsrechter en met tegenstanders? “Zo maak je gedrag bespreekbaar en meetbaar”, zegt Van Veenendaal. “Bewustwording doet veel.” Ook krijgen coördinatoren extra handvatten om problemen vroegtijdig te signaleren en terug te koppelen aan de werkgroep.
De aanpak leverde bij verschillende verenigingen al tastbare resultaten op:
- SV Leones voerde een vrijwilligersverplichting van zes uur per lid in. Daardoor worden commissies ontlast.
- Sportclub Bemmel wist het tekort aan vrijwilligers bij evenementen op te lossen.
- Beuningse Boys en Overasseltse Boys werkten aan sportiviteit. Scheidsrechters en bezoekende teams worden beter ontvangen, er is minder negativiteit en wedstrijden lopen minder vaak uit de hand.
Waarom externe hulp nuttig is
Dat het verenigingen niet altijd lukt om deze aspecten zelf aan te pakken, begrijpt Van Veenendaal goed. “Sportverenigingen leven vaak in de waan van de dag. Er zijn al genoeg brandjes te blussen. Vrijwilligers zijn druk met de uitvoering van alledaagse taken. Dan helpt het dat iemand van buitenaf structuur brengt en ervaring meeneemt.” Soms betaalt een club het traject zelf. Regelmatig dragen gemeenten bij via subsidies, omdat vitale verenigingen ook maatschappelijk waardevol zijn.
Groeiambitie
Inmiddels begeleidt De Verschilmaker zo’n twintig verenigingen. Daarmee zit Van Veenendaal bijna aan zijn maximale capaciteit. “Het liefst wil ik doorgroeien, zodat we meer clubs kunnen helpen. Daarvoor is structurele financiering nodig of een partner die daarin gelooft.” Zijn missie is helder: sterke verenigingen bouwen waarin mensen zich thuis voelen én bereid zijn om samen de schouders eronder te zetten. “Zo zorgen we voor een gezonde verenigingscultuur die toekomstbestendig is.”
Succesfactoren van dit praktijkvoorbeeld
- Vrijwilligersbeleid koppelen aan clubcultuur en sportiviteit
- Bottom-up werken met leden en ouders voor draagvlak
- Vrijwilligerstaken klein, duidelijk en tijdelijk maken
- Jongeren vroeg laten bijdragen aan de vereniging
- Gedrag structureel bespreken in plaats van incidenteel corrigeren
- Borging organiseren, zodat verandering blijvend is